Dit weekend stond voor mij en mijn lief niet in het teken van klussen aan ons boerderijtje uit 1850, maar van iets waar we ieder jaar naar uitkijken: de grootste Brocantemarkt van Europa. Een weekend schatzoeken tussen de “rommel”, op pad met ons vintage campertje, wildkamperen langs de vangrail en tijd doorbrengen met goede vrienden. Het was een weekend vol lachen, goede gesprekken en reflectie. Even helemaal terug naar de basis, om samen te genieten van het moment.
Tijdens het struinen door de straten van Lille, omringd door prachtige oude panden, besefte ik opnieuw waarom oude, doorleefde dingen me zo fascineren. Waarom word ik aangetrokken tot dat wat geschiedenis en karakter heeft? Waarom kies ik bewust voor een oud huis dat al twee wereldoorlogen heeft doorstaan? Of voor een oldtimer die net zo oud is als ikzelf? Wat maakt dat ik tussen de meubels op de markt altijd op zoek ga naar die ene ‘schat’ die voor anderen misschien weinig toekomst heeft?
Een gesprek met een vriend raakte precies de kern. Terwijl we door de sfeervolle steegjes liepen, spraken we over hoe vroeger de mooiste gebouwen werden gecreëerd, met handwerk en vakmanschap. Gebouwen die ons nu nog steeds doen verwonderen, terwijl moderne nieuwbouw vaak diezelfde esthetische waarde mist. Waar is onze liefde voor schoonheid gebleven? Hoe kunnen wij, met alle technologie en innovatie van nu, dat vakmanschap uit het verleden niet evenaren, laat staan overtreffen?
Die liefde voor oude dingen zit diep. Of het nu ons oldtimerbusje is, de vintage meubels of ons uitgeleefde boerderijtje – ooit gebouwd met zoveel creativiteit en oog voor detail – ik wil die schoonheid bewaren. Het mag niet verloren gaan. Ja, er is veel werk te doen, maar zolang de basis goed is en je regelmatig onderhoud pleegt en aanpassingen doet aan de tijd, kan niets op tegen de charme van het oude.
Datzelfde gevoel heb ik in mijn werk met Vields. Veel organisaties hebben zo’n schat in huis: vakmanschap dat in jaren is opgebouwd, vaak door mensen die al lang meedraaien. Het zit in hoe ze een lastig gesprek voeren, hoe ze een situatie inschatten, wat ze wel en juist niet doen. Alleen staat het nergens beschreven. En als die mensen vertrekken, gaat het stilletjes mee de deur uit.
Wat ik dan zie, lijkt op de nieuwbouw waar mijn vriend en ik het over hadden. Er komt een nieuw kader, een nieuwe training of een nieuw systeem. Strak, modern, efficiënt. Maar het karakter van het vak raakt kwijt. Terwijl de basis vaak goed is. Net als bij een oud huis hoef je niet te slopen. Je moet eerst goed kijken wat er staat, wat de moeite waard is om te bewaren, en wat onderhoud nodig heeft om mee te kunnen met de tijd.
Dat is precies wat ik doe met Vakmanschap in beeld: samen met professionals zichtbaar maken wat goed werk in hun vak echt vraagt. En met De standaard van het vak leggen we dat vast, zodat nieuwe mensen het kunnen leren en het vak niet afhankelijk blijft van een paar ervaren collega’s.
Welke schat ligt er in jouw organisatie, die eigenlijk niemand goed in beeld heeft?