Als kind voelde ik me nooit écht thuis op school.
Niet omdat ik niet wilde leren, ik wilde dolgraag leren.
Maar niet op de manier waarop het moest.
Ik was een dromer, creatief en gevoelig.
Een leerling met een gemiddeld IQ, maar een hoog EQ.
En steeds opnieuw kreeg ik het impliciete signaal: “je past net niet in het systeem”.
Dat bleef zo. Tot ver na de middelbare school.
Nu, drie decennia later, zit mijn jongste dochter in de bovenbouw van de basisschool. En wat zie ik? Nog steeds diezelfde formulieren, diezelfde taal. Nog steeds zinnen als:
“heeft geen zin in leren” of “huiswerk is echt een probleem”.
Alsof dit objectieve feiten zijn. Maar laten we eerlijk zijn: dit is geen objectieve observatie. Dit is framing! En framing doet pijn. Niet alleen nu, maar jarenlang: in zelfvertrouwen, motivatie en geloof in eigen kunnen.
Kinderen die praktisch leren, of die creatief, gevoelig of neurodivergent zijn, missen niets. Ze brengen juist iets mee: ánders leren, ánders denken. Ze zijn doeners, aanpakkers, organisatoren, creatieve makers. Dromers-met-een-visie. Denkers-met-handen.
En toch… in het schoolsysteem krijgen zij vaak het gevoel dat zij het probleem zijn.
De vertaalslag naar organisaties
Wat mij raakt, is hoe herkenbaar dit patroon ook in organisaties terugkomt.
Want wat er op school gebeurt met kinderen die “net anders leren”, gebeurt op de werkvloer met medewerkers die “net anders denken”.
Hoe vaak lees of hoor je in functioneringsgesprekken nog steeds zinnen als:
“moet beter leren focussen”,
“heeft moeite met prioriteiten stellen”,
“loopt tegen grenzen aan”,
of “past niet helemaal in het team”.
Het klinkt neutraal. Objectief bijna. Maar dat is het niet.
Het zijn geen feiten, het is framing.
Want achter zulke woorden zit een aanname: dat er één juiste manier is om te werken, te denken of samen te functioneren. En wie daar vanaf wijkt, wordt al snel als tekortschietend gezien.
Maar wat nu als iemand die “snel afgeleid lijkt”, juist een scherp oog heeft voor details die anderen missen? Wat nu als iemand die “tegen grenzen aanloopt”, eigenlijk heel goed aangeeft waar zijn of haar energiebalans ligt en daarmee een kracht laat zien die we in organisaties veel harder nodig hebben? En wat nu als iemand die “niet helemaal in het team past”, precies die frisse blik brengt die het team vooruit kan helpen?
Het is tijd om dit patroon te doorbreken. Want net zoals in het onderwijs de woorden op een rapport het zelfbeeld van een kind kunnen vormen, zo bepalen onze woorden in beoordelingen en gesprekken hoe medewerkers zichzelf gaan zien. En dát kan talent jarenlang klein houden, of juist de ruimte geven om te bloeien.
Als we echt willen bouwen aan inclusieve, innovatieve en veerkrachtige organisaties, dan vraagt dat om een andere bril. Een manier van kijken die niet focust op “past wel of niet”, maar op: wat brengt deze persoon mee dat wij nodig hebben?
Wil je daar meer over weten of onderzoeken wat dit voor jouw organisatie kan betekenen?
👉 Neem gerust contact met me op via info@Vields.nl


Geef een reactie